Het land was in rep en roer, een vloedgolf van vogelspotters was uit heel Noordwest-Europa neergestreken in Berlicum. Een onopvallend Brabants dorp aan de rand van het al even provinciaal ogende Den Bosch, dat op zijn beurt met de bijna onschrijfbare naam ‘s-Hertogenbosch een beetje grandeur overeind trachtte te houden. Die naam deed eerder denken aan xenofobe krijgsheren uit de 17e eeuw dan aan een moderne stad. Des Hertogen Bos.
En in dat bos was vlak voor oudjaar het wonder geschied, zo deed het gerucht de ronde. Een nieuwe vogelsoort! Een gerucht werd een verhaal, het verhaal een reportage, de reportage werd een Jinek-conversatie. Het wonder van Berlicum werd het al genoemd. Vage foto’s gingen viraal en het vogeltje werd door photoshop-experts opgeleukt tot een iets te stralende en nuffig kijkende gevederde ouwe vrijster, die net gevraagd was voor een gala-avond. Dat is het afstudeerfeestje voor corpsballen. Op z’n Berlicums heet dat gewoon een bonte avond met bier en ballen. Maar de foto’s logen niet, zo vond Eva in de redactievergadering. Want als een viraal item op haar desk belandde, was het daar lastig vanaf te krijgen. Alsof het vastzat in de secondelijm die de meest recente actievoerder op het tafelblad had achtergelaten. Een nieuwe mus gevonden! Een totale nieuwe vogelsoort, in het tot wandelpark verworden oerbos dat Nederland heet! De Kersenmus, zo was het nieuwe diertje gedoopt. Een mussensoort met een opvallend brede snavel, en twee opvallende rode cirkels op de borst, alsof zich daar twee rode kersen hadden genesteld. Het brede kopje gaf het diertje een wat onbeholpen uiterlijk, maar hey! zou buurvrouw Gerda hebben gezegd, het is wel een nieuwe soort hè!
Eva had het maandag al het NatuurNieuwsItem van het jaar genoemd, op donderdag had ze de Baardmannetjes uitgenodigd voor verdere analyse. Nico en Hans zaten gebroederlijk en gebaard naast elkaar, met aan hun rechterflank de al even pittoreske ogende autochtone vogelaar die het vogeltje had ontdekt. In Berlicum was hij bekend als Peerke. Die naam had hij waarschijnlijk aan de bar verdiend, als je steeds biertjes weggeeft vinden ze in Berlicum al gauw een toffe peer. Hij bleek ook de naamgever van het vrolijke vogeltje te zijn.
Eva: ‘Heeft u iets met kersen, meneer Peerke?’
De man bolde zijn couperosewangen en blies hoorbaar in de toch midden op de tafel staande microfoon.
’Ja die vink lekkeg’, sprak hij.
Eva aarzelde. Het gaat toch om een mussensoort, waarom sprak de man nou van een vink?
Ze wendde zich gauw naar Nico en vroeg: ’Hoe uniek is deze vondst, Nico de Haan?’
Nu was het de beurt van Peerke om verwonderd te kijken. Een haan? Nee zeg, zijn vogeltje zat met ijzerdraaddunne pootjes op een takje en pikte naar spuugbeestjes in de bladoksels van de hulststruik. Hoezo haan?
Nico negeerde de man en zei: ’Ornithologisch gezien hebben we hier te maken met een nieuwe subspecies, die ik hierbij officieel de naam Passer Cerasus verleen, zodat we het werk van Linnaeus op gepaste wijze voortzetten.
Eva aarzelde andermaal. ‘Dat klinkt als een ingewikkelde naam voor zo’n schattig klein vogeltje!’, zei ze.
’Nee hoor’, zei Hans nu, met zijn kenmerkende jeneverstem, ‘het betekent gewoon Kersenmus, maar dan in het Latijn. Hij keek naar rechts, waar Peerke wat ongemakkelijk begon te draaikonten. Nadat hij zijn keel geschraapt had, probeerde de Brabander de woorden zo dialect-arm als mogelijk op tafel te krijgen.
‘Bij ons in Ballekum…’, begon hij. Eva onderbrak hem nu, in een poging om na al die aarzeling toch daadkrachtig en welingelicht in de huiskamer over te komen.
‘Balk ligt in Friesland, meneer Peerke. Ze hebben het vogeltje toch echt in Brabant gefotografeerd.’ ‘Bel-le-kum’, probeerde Peerke nu.
Nico kwam tussenbeide. ‘Hij bedoelt Berlicum, dat is Brabants!
Eva viel terug in haar eerdere aarzeling.
Peerke zag zijn kans schoon: ‘Ik zee nog tegen diejen mens van de teevee: ik heb um Kèssemus gezien. Wit je wel de vijfentwintigste! Diejen mens waort een bietje ongeduldig, maar had wel verstâând van vogelkes. ‘Zag je dan een roodborstje?’, vroeg hij me. ‘Ja!, ik zag um mee Kèssemus, riep ik opnieuw tegen um. Ik liet hem mij mobieltje zien, daar had ik unne foto mee gemaokt.’
Hij stak de Samsung A5 in de lucht en de camera zoomde meteen in op het beeld op het schermpje. Hans viel stil, hij zag toch echt een onscherp roodborstje. Zijn blik gleed naar de videowall, waar de foto van de nieuw ontdekte Kersenmus de hele zaal verlichtte. Nu ineens zag Hans een soort breedbek-roodborst. Hij reutelde wat en dacht: breedbekkikker, Brabants, Kessemus, Kerstmis….
Hij stootte Peerke nu aan en zei, z’n best doend om het Brabants accent van de man te imiteren – behalve dat ene woord:
‘Hedde gullie mee KERSENMUS nog meer roodborstjes gezien?’
‘Ja!’, riep Peerke opgetogen en zijn wangen werden nog wat roder van plezier, ‘en vinkskes en krooien!’
Hans leunde achterover, zijn blauwe ogen verdwenen bijna in de breedste glimlach die hij de wereld de laatste decennia had laten zien.
‘Nico, we zijn beetgenomen. Deze goede man zag met Kerstmis een vogeltje,en wij hebben er in ons mediageile wereldje een Kersenmus van gemaakt. Dank voor de uitnodiging Eva!’ Die keek langs de camera haar eindredacteur veelzeggend aan.
Hans schoof zijn stoel achteruit en stootte Hans aan. ‘Zullen we er eentje gaan drinken? Hier is niks meer te doen.’
Een gelach zwol aan in de zaal.






